Visual van het klimaatadaptieve schoolplein

Nederlander wil betalen voor een beweegvriendelijke buitenruimte

Nederlanders zijn bereid extra belasting te betalen voor een beweegvriendelijke openbare ruimte. Dat blijkt uit onderzoek van Populytics, uitgevoerd in opdracht van Kenniscentrum Sport & Bewegen binnen Sportakkoord II. Hierin werd gekeken hoe Nederlanders verschillende keuzes in de openbare ruimte waarderen en welke maatschappelijke effecten zij daarbij belangrijk vinden. Vooral maatregelen rond veiligheid, speelruimte en bewegen voor kinderen blijken op draagvlak te kunnen rekenen.

Tekst: Isis van der Meulen
Beeld: Kenniscentrum Sport & Bewegen

Voor het onderzoek kregen 1401 Nederlanders verschillende scenario’s voorgelegd, waarin zij telkens moesten kiezen tussen twee pakketten maatregelen. Daarbij ging het onder meer om extra speelplekken, beter bereikbare sportvoorzieningen, 30 km-zones of het verdwijnen van parkeerplaatsen. Aan iedere keuze was ook een stijging van de gemeentelijke belastingen gekoppeld. Op basis van die afwegingen onderzochten de onderzoekers waar inwoners maatschappelijke waarde aan toekennen én waar zij vinden dat gemeenten belastinggeld aan mogen besteden.

Opvallende resultaten

Femke van der Pal van Kenniscentrum Sport & Bewegen vertelt dat er opvallende resultaten tussen zitten. Zo blijkt dat maatregelen voor kinderen duidelijk hoger werden gewaardeerd dan maatregelen voor volwassenen. Volgens Niek Mouter, wetenschappelijk directeur van Populytics en hoofduitvoerder van het onderzoek, komt dat omdat mensen hierin nadrukkelijk een rol voor de overheid zien. “Ze vinden dat kinderen minder zelf kunnen beslissen hoeveel ze sporten en bewegen dan volwassenen. Daarom is er eerder een rol voor de overheid om dit te faciliteren.”

Opvallend vond Van der Pal daarnaast dat ook mensen zonder kinderen waarde hechtten aan speelruimte en beweegmogelijkheden voor kinderen. “Ook zij gaven aan dat zij daar extra belastinggeld voor over hebben.”

Veiligheid kwam ook sterk naar voren in het onderzoek. Volgens Van der Pal kan het meespelen dat veiligheid tijdens de onderzoeksperiode veel in het nieuws was. Het onderzoek werd uitgevoerd in december, een periode waarin sociale veiligheid en onveiligheidsgevoelens nadrukkelijk speelden in het publieke debat.

Parkeren en 30 km-zones

Een andere opvallende uitkomst zat in de waardering voor parkeerplaatsen. Uit het onderzoek blijkt dat het verdwijnen van een of twee parkeerplaatsen in een straat door veel mensen nog acceptabel wordt gevonden, mits daar een verbetering van de openbare ruimte tegenover staat. Wanneer vier tot zes parkeerplaatsen verdwijnen, neemt de weerstand duidelijk toe. Volgens Mouter laat dat zien dat schaal en context bepalend zijn voor draagvlak. Gemeenten kunnen volgens hem dus niet zomaar algemene conclusies trekken als: ‘sociale veiligheid is altijd belangrijker dan het behoud van parkeerplaatsen’.

Daarnaast verraste ook de waardering voor 30 km-zones de onderzoekers. “Wij hadden dat er eigenlijk ingestopt als iets wat mensen waarschijnlijk vervelend zouden vinden”, zegt Mouter. “Maar het werd juist positief gewaardeerd.”

Verder kijken dan de cijfers

Om tot de inzichten te komen, voerde Populytics vijf deelonderzoeken uit. Volgens Mouter was dat methodologisch gezien een flinke puzzel. “Je moet experimenten zo inrichten dat de deelnemers echt een afweging moeten maken tussen de effecten”, legt hij uit. Daarom werden de scenario’s zorgvuldig samengesteld, zodat deelnemers realistische keuzes moesten maken tussen maatschappelijke effecten, persoonlijke gevolgen en belastingkosten.

Toch benadrukken zowel Van der Pal als Mouter dat de resultaten met nuance moeten worden gebruikt. Deelnemers moesten complexe afwegingen maken en niet iedereen zal de gevolgen van keuzes op dezelfde manier hebben geïnterpreteerd. Ook waarschuwt Mouter ervoor om de cijfers niet als absolute waarheid te gebruiken. “Het is een zo goed mogelijk uitgevoerd nationaal onderzoek en de cijfers leveren waardevolle inzichten op, maar je moet het genuanceerd gebruiken.”

Wat kunnen gemeenten hiermee?

Volgens Van der Pal en Mouter kan het onderzoek gemeenten vooral helpen bij gesprekken over ruimtelijke keuzes. De cijfers bieden volgens hen extra onderbouwing in discussies met gemeenteraad, wethouders, projectontwikkelaars en inwoners. “Er is steeds meer concurrentie om ruimte,” vertelt Van der Pal. “Wonen, parkeren en klimaatadaptatie vragen allemaal om ruimte.” Volgens haar raakt beweegvriendelijke openbare ruimte daardoor in de praktijk regelmatig ondergesneeuwd.

Tegelijkertijd benadrukken beiden dat gemeenten de landelijke resultaten niet één op één moeten vertalen naar lokaal beleid. De context van een wijk blijft doorslaggevend. “Je moet alsnog goed kijken naar de behoeften en de samenstelling van de wijk, naar bestaande voorzieningen en de vraag van inwoners”, zegt Van der Pal. “Als een wijk weinig kinderen heeft, heeft een extra speeltuin minder effect.” Daarnaast draait een beweegvriendelijke openbare ruimte niet alleen om fysieke aanpassingen. “Hardware is één ding, maar je hebt ook activatie, onderhoud en begeleiding nodig. Anders leg je iets aan dat uiteindelijk niet gebruikt wordt.”

Gesprek voeren

Volgens Mouter gaat het niet alleen over welk thema belangrijk wordt gevonden, maar vooral om hoeveel mensen daadwerkelijk profiteren van een maatregel. “Je kunt niet zeggen: sociale veiligheid is altijd belangrijker dan groen”, zegt hij. “Als je de veiligheid van één persoon verbetert, maar met een andere maatregel duizenden mensen beter toegang geeft tot groen of beweging, dan kan die tweede maatregel uiteindelijk meer maatschappelijke waarde hebben.” Volgens Mouter moeten gemeenten daarom altijd kijken naar de verwachte effecten van een plan: hoeveel mensen worden bereikt en wat verandert er concreet in een wijk. De cijfers uit het onderzoek kunnen vervolgens worden gebruikt om te bepalen hoeveel maatschappelijke waarde die effecten opleveren.

Volgens Van der Pal begint het voor gemeenten met het beter in kaart brengen van hun eigen situatie en het voeren van het gesprek daarover binnen de verschillende beleidsdomeinen. Een belangrijke eerste stap is het gebruiken van bestaande hulpmiddelen om te bepalen wat er al is en waar nog gaten zitten, zoals de BVO-scan, een instrument om de beweegvriendelijkheid van de openbare ruimte in beeld te brengen. Daarna kan het helpen om samen met verschillende stakeholders te verkennen welke ingrepen in een wijk wenselijk en haalbaar zijn, en keuzes niet alleen op aantallen of budgetten te baseren, maar ook op wat een maatregel concreet oplevert aan beweging en gebruik van de ruimte.

Het onderzoek biedt gemeenten daarmee geen blauwdruk, maar wel houvast. “Met deze cijfers kun je de maatschappelijke waarde van de openbare ruimte beter onderbouwen,” besluit Mouter. “Bijvoorbeeld wanneer er discussie ontstaat over het vervangen van parkeerplaatsen door speelruimte, groen of veilige wandel- en fietsroutes.”

Download de hele factsheet
Download het onderzoek